Hoofdstuk 1
-
Plato en Socrates
Plato wordt geboren in een aristocratische familie tijdens de Gouden Eeuw van Athene. Hij is voorbestemd tot een politieke carrière, maar besluit onder invloed van Socrates zijn leven te wijden aan de filosofie. Socrates is een wijsgeer die veel rondhangt op het marktplein van Athene, continu vragen afvurend op voorbijgangers. Met die ‘socratische methode’ trekt hij veel volgelingen aan. Maar naast volgers maakt Socrates ook vijanden. Socrates wordt tot de dood veroordeeld door het bestuur van de stad Athene en hij maakt een einde aan zijn leven door een gifbeker leeg te drinken.
-
Ideeënleer
Een paar van de dialogen waarin Socrates opduikt zijn de Phaedrus en de Phaedo, waarin Plato voor het eerst zijn ideeënleer beschrijft: in een metafysische, alleen voor het denken toegankelijke wereld, bestaan oervormen van de concrete, in de alledaagse werkelijkheid waar te nemen dingen. Dat verklaart waarom dingen herkenbaar zijn en blijven, maar tegelijkertijd toch voortdurend veranderen. Zo blijft een paard te herkennen als paard, ook als het slechts drie poten heeft, zwart of wit is, of gaandeweg ouder wordt – de essentie van het paard blijft bestaan.
-
Allegorie van de grot
In de allegorie van de grot van Plato illustreert hij de ideeënleer door ons te vergelijken met gevangenen in een grot. De gevangenen zien schaduwen op de muur van de grot, die zij beschouwen als de echte werkelijkheid. De filosoof is de gevangene die voor het eerst voet zet buiten de grot en de echte wereld waarneemt. Vervolgens keert deze terug naar de grot en probeert zijn medegevangenen te overtuigen van het feit dat zij zich bedienen van schijnkennis. Dat wordt hem door zijn grotgenoten echter niet in dank afgenomen, vertelt Plato.